Verschillen tussen mindfulness en dissociatie

Mindfulness helpt bij depressie, bij angststoornissen en bij stress. Het wordt ingezet bij ADHD, eetstoornissen en posttraumatische stressstoornissen. Je kunt mindful bewegen, mindful koken, mindful afwassen en mindful vrijen. Je kunt zelfs mindful een tijdschrift lezen, mindful hardlopen en mindful boos zijn.

Mindfulness wordt gekenmerkt door het op een afstandje gadeslaan van wat er zich aan je voordoet: je ademhaling en andere lichamelijke gebeurtenissen, geluiden, geuren, smaken en de bewegingen van je geest. Deze afstand maakt het mogelijk om niet mee te gaan in de inhoud van gedachten of in je reacties op zintuiglijke sensaties die zich aan je voordoen. Dit “onaangedaan blijven” is ervoor verantwoordelijk dat je mindfulness sterker wordt.

Dit afstandelijk gadeslaan van wat er op dit moment gebeurt is niet nieuw in de psychiatrie. Mensen met een dissociatieve stoornis ervaren regelmatig een zekere afstand tot hun emoties, hun lichaam, of andere onderdelen van hun realiteit. Het is alsof ze er niet helemaal zijn. Sommige mensen hebben zelfs last van blackouts. Deze dissociatie gaat vaak samen met onverwerkte traumatische ervaringen, depressie of een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Aan de oppervlakte kan het lijken dat het beoefenen van mindfulness kan leiden tot een dissociatieve stoornis. En er zijn ontegenzeggelijk overeenkomsten tussen de beide fenomenen. Iemand die risico loopt op het ontwikkelen van een dissociatieve stoornis zou elementen van mindfulnessbeoefening kunnen aangrijpen om het ontwikkelen van zo’n stoornis dichterbij te brengen. En dat is een ongewenste situatie.

Maar dat hoeft niet het geval te zijn. Er zijn duidelijke verschillen tussen het vaardig ontwikkelen van mindfulness en de processen die iemand bewegen in de richting van een dissociatieve stoornis. Een goede mindfulnessleraar kent deze verschillen en zorgt ervoor dat mensen die risico lopen op het ontwikkelen van een dissociatieve stoornis op tijd worden bijgestuurd, zodat die stoornis zich hopelijk niet (verder) zal ontwikkelen.

Het eerste grote verschil ligt in de motivatie van mindfulnessbeoefening. Pathologische dissociatie treedt op als gevolg van angst. Als iemand niet kan ontkomen aan een angstige situatie dan is er het risico dat hij zich onttrekt aan de situatie. De emotionele en/of cognitieve betrokkenheid gaan “op zwart”. De persoon “verdwijnt” in een schemerig gebied en heeft vaak grote moeite om weer terug te komen. De beoefening van mindfulness begint juist vanuit een nieuwsgierigheid naar wat er zich van moment tot moment aan je voordoet en komt voort uit een basaal gevoel van zelfwaardering en zelfliefde.

Het tweede grote verschil hangt hiermee samen. Een dissociatieve stoornis wordt gekenmerkt door grote concentratie- en aandachtsproblemen. De persoon vindt het lastig om zijn hoofd erbij te houden als de dissociatie begint. Bij mindfulness is het ontwikkelen van aandacht en concentratie juist bijzonder belangrijk. Dit komt naar voren in de standaarddefinitie van mindfulness: “een bijzondere manier van aandachtig aanwezig zijn, namelijk: met opzet, zonder oordeel, en op dit moment”.

Dus hoe zorgen we ervoor dat mensen die verhoogd risico lopen op deze psychiatrische aandoening niet in de verkeerde richting worden gewezen?

  1. Door de voorwaarden waarbinnen de mindfulness techniek wordt onderwezen zodanig af te stemmen dat iedereen heeft wat hij of zij nodig heeft om zich op zijn/haar gemak te voelen.
  2. Door te benadrukken dat nieuwsgierigheid en zelfliefde basishoudingen zijn waaruit mindfulness voorkomt.
  3. Door het ontwikkelen van liefdevolle aandacht voor jezelf en je ervaring op dit moment extra te benadrukken in de begeleiding.
  4. Door gevoelig te zijn voor gerapporteerde ervaringen van sterke angst en lage concentratie.

Door het letten op deze vier elementen zorg je ervoor dat de beoefening van mindfulness niet leidt tot het ontwikkelen van een ongewenste dissociatieve stoornis. Mindfulness, op de juiste manier ingezet en begeleid kan zelfs leiden tot het leren herkennen van zo’n stoornis, als deze zich openbaart. Het leren herkennen van ongewenste dissociatie is de eerste stap naar het leren omgaan met deze neiging.

3 gedachten over “Verschillen tussen mindfulness en dissociatie”

  1. Erg fijn artikel waar ik nu speciaal aan toekom.

    Angst is een het eerste onderscheid tussen behulpzame en on-behulpzame mentaliteit. Het kan ook gebeuren dat als iemand wat bereikt in de meditatie er de angst opkomt het weer kwijt te raken. Zelf heb ik doodsagsten uitgestaan zonder dat daar een directe aanleiding voor was. En raar genoeg is ‘kennis van angst’ een van de reinigings stadia (vissudhi).

    Het zien van het on-eigene aan jezelf (waarbij zelf gezien wordt als een zelf van zygote tot aan de laatste uitademing) kan een vlinke deceptie zijn. Die erg onveilig voelt. Maar misschien hoeft de nare emotionaliteit daaromtrent dat inzicht niet voor iedereen zo sterk te zijn. Mischien kan het inzicht in de ontkoppeldheid van ervaring aan een IK een puur interessante ervaring zijn. Ik hoor het graag en wens het iedereen toe.

    Ariyadhammo

    1. Bedankt voor je reactie. Angst is zeker niet iets dat vermeden dient te worden, net zoals het niet iets is om per se op te zoeken. Uitgangspunt in de beoefening van vipassana is dat alle ervaring – waaronder dus ook angst – het best kan worden gekend door verlangen en aversie zoveel mogelijk gelijkmoedig te benaderen.

      Ik denk dat het juist het vermijden is dat een dissociatieve stoornis kan veroorzaken. Wat overigens niet betekent dat dit “slecht” is. Je kunt als mens in situaties terechtkomen waar de enige gezonde uitweg is om “er maar even niet te zijn”. In die zin wordt zo’n dissociatieve stoornis de best mogelijke uitkomst: een zelfbeschermingsmechanisme.

      Je merkt op dat het wellicht mogelijk is om (door mindfulnessbeoefening?) te ervaren dat er wellicht geen “ik” huist achter de totaliteit van je ervaring, en dat die ontkoppeling ruimte biedt aan het ervaren van angst zonder erdoor te worden overweldigd. Tenminste, zo lees ik je laatste paragraaf. Kun je daar iets meer over zeggen?

Geef een reactie