Mindfulness en haar oorsprong: spirituele beoefening in de Zen traditie

In het tweede deel van deze serie over de oorsprong van de mindfulness beweging die momenteel populair is kijken we wat nader naar de Zen traditie. Eerder onderzochten we de beoefening van meditatie in de Theravada traditie. In dat artikel beschreven we ook het beklimmen van een berg, als metafoor voor het spirituele pad.

Het Japanse Zen-Boeddhisme is de nazaat van een stroming van vernieuwers die zich vele eeuwen na de dood van de Boeddha afscheidde van “de rest”. Vanuit India bereikte deze school China en vanuit China maakte ze de oversteek naar Japan. Parallel daaraan veranderde het Sanskriet woord voor meditatieve absorptie (dhyana) in het Chinese Chan en het Japanse Zen.

Het Japanse Zen-Boeddhisme is in het bijzonder gericht op de beoefening van meditatie. Zazen, het zitten in absorptie, kinhin, loopmeditatie, koans, rationeel onoplosbare puzzels, en shikantaza, puur zitten en verder niets, vormen de hoekstenen van deze traditie.

De theorie van Zen

Centraal aan het geloof is dat je waarneming een illusie is, en dat iedereen in feite al bevrijd IS. Je hoeft niets te doen om jezelf te bevrijden, je moet het je alleen realiseren. Het streven naar nirvana is vanuit deze gedachte dan ook onvoldoende, en bovendien een beetje zelfzuchtig. Je mikt eigenlijk “te laag”. Binnen veel scholen van de Mahayana traditie – waartoe ook de Zen zich rekent – wordt verwacht dat je plechtig belooft je verlichting te zullen nastreven uit compassie met het lijden van alle wereldse schepselen. Als die zijn verlicht en het lijden dus beëindigd is kun je gaan genieten van je nirvana. Dit wordt de Bodhisattva-eed genoemd. Het beoefenen en vergroten van compassie voor alle levende wezens staat voorop, naast natuurlijk de beoefening van formele meditatie in zazen. Want in de praktijk is er tussen de meditatieve tradities niet zo heel veel verschil.

De praktijk van Shamatha meditatie

Omdat we in het vorige deel de meditatieve absorptie niet hebben behandeld zullen we er nu wat nader naar kijken. Dat is misschien een beetje misleidend, alsof absorptie in Zen belangrijker zou zijn dan in Theravada. Niets is minder waar. Accenten verschillen even sterk tussen de verschillende scholen binnen een traditie, als tussen tradities.

In de theorie gaat vipassana (de dingen zien zoals ze werkelijk zijn) samen met samatha – ook wel shamatha of samadhi genoemd. Vipassana is het steeds duidelijker kennen van de werkelijkheid zoals die zich aan je voordoet, en daarin staat mindfulness dus centraal. Shamatha is het zogenaamde “temmen van je geest”, concentratiemeditatie, of absorptie. Het is het continue richten van je aandacht op één simpel voorwerp – zoals de ademhaling. Omdat ook dit trainbaar is wordt het richten van je aandacht gaandeweg je beoefening steeds gemakkelijker waardoor het kan voorkomen dat je dhyana (Pali: jhana) ervaart: een staat van volkomen absorptie met je meditatieobject die oppervlakkig gezien wel wat wegheeft van een flow-staat, zoals beschreven door Mihalyi Csikszentmihalyi.

Zo’n staat is prettig en er zijn verschillende niveaus die je kunt bereiken. Het idee is dat je geest steeds lichter wordt en daardoor meer in staat is om op commando vreugde, extase, kalmte en gelijkmoedigheid te ervaren. Nogmaals wil ik hier het misverstand voorkomen dat Zen meer gericht is op deze vorm van meditatie dan de andere scholen. Dit is niet het geval. Sterker, zowel de Theravada als de Tibetaanse scholen hebben zeer gedetailleerde taxonomieën ontworpen om de verschillende absorptiestaten in te categoriseren.

De taxonomie van absorptie is interessant voor het categoriseren van allerlei spirituele ervaringen – niet alleen binnen het boeddhistische spectrum maar wereldwijd. Belangrijk punt om te onthouden is dat absorptie ervaringen voor boeddhisten niet het einddoel zijn van spirituele beoefening. Ze zijn prettige tussenstations onderweg naar het uiteindelijke doel maar moeten daarmee niet worden verward. Hoe prettig ze ook kunnen aanvoelen, absorptiestaten zijn nog altijd geconditioneerd, en zijn kunnen het best worden gezien als voer voor de molen van inzicht. Ook van deze heerlijke staten moet je de essentiële leegte inzien.

Meditatiebeoefening binnen de Zen traditie

Zen heeft met Theravada gemeen dat ze probeert om de beoefening van shamatha ten dienste te laten staan van het doorzien de ware aard van de werkelijkheid. In Zen betekent dat het inzicht in de essentiële leegheid (sunyata) van alle verschijnselen. Met enige fantasie kun je de doctrine van sunyata gelijkstellen aan de (in het vorige artikel besproken) doctrine van niet-zelf, maar het is correcter om haar toe te passen op de leer van de afhankelijke causaliteit. Voordat we ons begeven op al te doctrinair gebied is het zinnig om te benadrukken dat de beoefening van Zen Boeddhisten slechts op enkele punten afwijkt van die van Theravada beoefenaars.

Wellicht het grootste onderscheidende punt is de koan. Een koan is een puzzel waarover een student kan gaan mediteren. Door inzicht te verkrijgen in de non-rationele werkelijkheid wordt op den duur de betekenis en het antwoord van de koan duidelijk. Een befaamd voorbeeld is de koan “What is the sound of one hand clapping?” Zen omarmt expliciet de paradoxale aard van het menselijke bestaan.

Een verder verschil met de gangbare beoefening binnen de Theravada traditie is dat Zen beoefenaars evenveel belang hechten aan het mindful uitvoeren van dagelijkse activiteiten als aan formele meditatie. Het idee is om de ongewone werkelijkheid van sunyata juist in de meest normale activiteiten tot uiting te laten komen – zodat alle dagelijkse activiteiten in feite meditatief worden. Deze gedachte bestaat uiteraard binnen Theravada ook, dus een overduidelijke grens is ook hier niet te trekken.

Een verdere overeenkomst is dat beide tradities monastisch van aard zijn; dat wil zeggen dat je doorgaans (tijdelijk) moet intreden in een klooster om daadwerkelijk stevig en voor langere tijd te kunnen oefenen. Dit kan van tijdelijke aard zijn – in tegenstelling tot de christelijke varianten waar intreding doorgaans voor het leven is. Dit geldt ook voor de Tibetaanse traditie. Dat wil dan weer niet verhinderen dat er binnen de verschillende tradities lekenbewegingen bestaan, die evengoed ten doel kunnen hebben om verlichting en compassie na te streven.

Zen waarschuwingen

Dezelfde waarschuwingen die voor de beoefening van intensieve vipassana meditatie werden gegeven gelden hier onverkort. Er zijn doorgaans weinig beletselen om intensief door te mediteren, met of zonder begeleiding, hetgeen betekent dat dezelfde risico’s ook hier gelden. In Zen wordt er wel gesproken van de “Put des Leegte”, waar beoefenaars zonder hulp moeilijk uit kunnen klimmen. Daarnaast kunnen er hallucinaties optreden die de beoefenaar maar beter gelijkmoedig kan ondergaan zonder er nodeloos veel aandacht aan te besteden. Eigenlijk is het een beetje hetzelfde verhaal als in het vorige artikel; als je op avontuur gaat in je eigen geest kom je af en toe rare figuren tegen. Als je erop vertrouwt dat je aankunt wat je gaat tegenkomen dan komt het meestal wel goed. Mocht het onverhoopt toch een tijdje wat lastiger zijn, meld je dan bij je leraar, bij Willoughby of bij een hulpverlener die niet geheel onbekend is met het omgaan met dit soort fenomenen.

In het volgende artikel onderzoeken we de Tibetaanse traditie.

Geef een reactie